Teksten concert “Seasons”

26 september 2026 – concert “Seasons”

Deze teksten zijn tijdens het concert voorgedragen.

Scheppinkje – Leo Vroman (1915-2014)
Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen
Tot een gebaartje op mijn Hand
En gaf Jou alle kralen, donzen,
Poesjesmiepsen en hommelgonzen
En Jij weefde het verband . . .

Ik zou mijn vingers rond Je sluiten
En Jouw gekriebel zó beminnen
Terwijl je scheppend was daarbinnen
Dat ik mijn vuist héél zacht van buiten
Zou kussen;

En ik als op een teken
Jouw werk voorzichtig zou ontbloten
Nimmermeer zijn uitgekeken
Op mijn lege handpalm, grote God
En nooit meer spreken.

Hy droech onse smerten – Jacobus Revius (1586-1658)
t’En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,

T’en sijn de crijghs-luy niet die met haer felle vuysten
Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,
Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,
Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,
Ick ben den swaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,

De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

Lied 28 – Hadewijch  (ca. 1200-1260)
O Minne, die zijt één in drie,
en drie in één gheweldichlijke
Gij zijt mijn oorsprong  ende bi
mijn leven, licht ende ghelike.

In U, Vader, rust mijn zin,
in U, Zoon, mijn troost en minne;
en Ghi, Geest, die woont in min,
doet all dat ‘k hebbe U beminnen

Wel, Here God! daar zit het devoot Nelleke – Emanuel Hiel (1834 – 1899)
Wel, Here God! daar zit ’t devoot Nelleke,
Het kwezelke, in hare kamer als een kapelleke.
Onder hare voetjes staat de lollepot met vuur,
Want ’t is winter, ze blaast, het weer is kil en guur.
Ze leest de paternoster, biecht zich alle weken,
Ze doet wel niets bozes, maar de wereld is vol gebreken . . .
’t Is dus recht dat er iemand rekening geeft,
Hoe het mensdom zondigt en Godvergeten leeft.

Zeer wel, zeer wel weet ze wat de buren beleggen,
van elks huishouden weet ze ook dit en dat te zeggen
Breekt er soms ruzie uit in ’t een of andere gezin . . .
Nelleke’s mond blies de brand daar niet in.

Dat beweert ze. Zij spreekt toch zo zachtjes, blaast zo zoetjes,
En ze houdt tot bij ieder zo gaarne witte voetjes . . .
Ze warmt zich daarvoor. Slechts uit deugt vertelt ze hoe, dat
De mans heimelijk in ’t donker knijpen de kat.

Met de mans, Here God! zal ze nimmer kouten,
Maar door haar voorbeeld doet ze uitschijnen der vrouwen fouten;
Ze is zuinig, vinnig, proper en toch niemendal koket,
En zowel des zomers als des winters vroegtijdig te bed.
Dit braaf menske beminde eens vurig ‘ne koster,
Die verliet haar. Sindsdien koos zij de paternoster
tot confident . . . Daarmede en haar mopsen, wat naïef lot!
Wandelt zij ’s zomers, en zit ze ’s winters op de lollepot!

Wel, Here God, wie acht niet dat devoot Nelleke?
Ze leeft stil in haar kamerken als in een kapelleke . . .
Ze blaast het vuur aan . . . Meisjes mompelen: “Welk serpent!”
Ze knikkebolt en zucht: “Ach! had ik maar ‘ne vent!”

De krekel en de mier (Jean de La Fontaine 1621-1695)
De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door ’t gras
“Ik vrolijk je wat op,” zei hij. “Kom, luister naar mijn lied.”
Zij schudde nijdig met haar kop: “Een mier die luiert niet!”
Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar ’t warme mierennest.
“Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest
Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe ‘k niet vlug!”
“Je weet dat ik aan niemand leen,”
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.
“Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde?”
“Ik zong voor jou,” zei zacht de krekel.
“Daaraan heb ik als mier een hekel!
Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je ’t warm!”
Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
Vaak lijdt hij honger en gebrek.

Lente – Herman Gorter (1864–1927)
Zie je, ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht —
je ogen zijn zo vol lente,
en je stem is als jong groen.
Mijn handen willen je vinden
zoals zon zoekt naar huid,
en alles wat nog zwijgt in mij
staat op en wordt geluid.